Resultaten tuinbevraging

Deze pagina zal regelmatig een update krijgen naargelang de resultaten worden verwerkt.

Via onderstaande links kan u eventueel rechtstreeks naar één van de onderdelen van de resultatenbespreking springen.

Direct naar Profiel Respondenten

Direct naar Type Tuinen

Direct naar Samenstelling van de tuinen

Een woordje vooraf

In mijn passie voor tuinieren en mijn zoektocht naar enige wetenschappelijke duiding over onze tuinen in Vlaanderen en Nederland kwam ik tot de spijtige vaststelling dat er zeer weinig geschreven en onderzocht is over dit onderwerp. Op zich verbaasde me dit daar onze tuinen samen goed zijn voor 8% van de oppervlakte van Vlaanderen. Dat is zeker veel in vergelijking met de 2,9% die alle natuurreservaten samen vertegenwoordigen en  nagenoeg evenveel als de oppervlakte van al de bossen in Vlaanderen goed voor 11%. De totale som van alle private tuinen (“tuincomplex”) wordt dan ook zelden tot nooit opgenomen of vermeld in een mogelijke strategie tegen en een min of meer substantiële bijdrage aan de klimaatproblematiek die onze tijdsgeest meer en meer  beheerst. Bijkomend constateerde ik dat er in andere landen zoals de UK wel reeds uitgebreid onderzoek werd gedaan naar het “tuincomplex” en de rol van private tuinen in diverse milieu en klimaatvraagstukken.

Daarom dat ik vanuit een persoonlijke interesse het initiatief nam om een bescheiden tuinbevraging op te zetten. De resultaten van deze bevraging mogen gewoon vrij verspreid worden, dit natuurlijk steeds met de nodige bron vermelding (https://groennegenduust.com/) en duiding.

De tuinbevraging liep over de periode van 26 januari 2019 tot en met 4 februari 2019 en werd tot mijn grote verrassing en blijdschap ingevuld door 784 respondenten. Dit had ik nooit durven dromen. Uiteindelijk werden er 779 respondenten weerhouden voor verdere analyse van de resultaten. De vragenlijst (Google Form) werd verspreid via diverse facebookgroepen, via mijn persoonlijke blog, en verder per mail gedeeld door deelnemers / sympathisanten.  Gegeven de manier van verspreiding en het feit dat het invullen van de bevraging beroep deed op de motivatie en goodwill van de deelnemer, zonder enige financiële compensatie,  is er mogelijks een bias van de respondenten populatie richting de meer geëngageerde tuinier.

De resultaten van de tuinbevraging dienen indicatief te worden gelezen.   De intentie bestond eruit om een indicatief beeld te geven van de tuinen en tuinbeleving in Vlaanderen en Nederland. Dit vanuit de vaststelling dat er over onze tuinen, die samen een tuincomplex vormen, heel weinig geweten is en dat deze bescheiden bevraging voorgaand onderzoek mogelijks kan aanvullen teneinde onze kennis te vergroten.

Profiel van de respondenten en hun tuinen

De respondenten

In totaal nam er een groter aantal vrouwen dan mannen deel aan de bevraging. Dit kan te maken hebben met de wijze waarop de vragenlijst is verspreid (via internet), maar evengoed met het gegeven dat vrouwen actiever zijn in de tuin of zich meer betrokken voelen en dus meer geneigd zijn de tijd te nemen om deze vragenlijst in te vullen. Het is gissen naar de oorzaak, maar zoals eerder aangegeven werd representativiteit naar geslacht niet vooropgesteld. Het spreekt voor zich dat de eventuele invloed van het geslacht enkel betrekking kan hebben op de wijze van tuinieren en niet op de kenmerken van de tuin zelf.

Als we kijken naar de leeftijd van de deelnemers (Figuur 2)  , dan zien we een mooie spreiding met de grootste categorie tussen de 51 en 60 jaar. Zowel de oudste als jongste groep is eerder ondervertegenwoordigd in de populatie van respondenten, hetgeen op zich niet verwonderlijk is daar het bezit van een tuin in de categorie van 20 tot 30 jaar logischerwijs minder voorkomt dan in oudere leeftijdscategorieën. 

Bij de lezing en interpretatie van de  resultaten van deze bevraging is het toch wel belangrijk het volgende in het achterhoofd te houden.  Algemeen kunnen  we stellen dat het hier om de min of meer betrokken en geïnformeerde tuinier gaat. Dit kan afgeleid worden uit het aantal malen dat de respondent wel of niet heeft deelgenomen aan een lezing / workshop / opleiding / beurs  in de laatste zes maand.  Tevens is ook het lidmaatschap van één of andere natuur- en/of tuinvereniging alsook een abonnement op een tuintijdschrift toch wel een indicatie van in hoeverre de tuinier in kwestie “betrokken” kan genoemd worden.  Bijkomend geeft natuurlijk het feit of de respondent ook professioneel actief is binnen tuinieren een vorm van betrokkenheid aan. 

Type tuinen

In het tuinonderzoek werd de respondent gevraagd de oppervlakte van zijn / haar tuin in te schatten alsook aan te geven welk tuintype het best van toepassing is.

Als we alle deelnemers van de bevraging in acht nemen, heeft de grootste groep een tuin tussen de 100m² en 500m²  goed voor 32% van alle tuinen. Dit is natuurlijk in absolute aantallen. Een ander beeld krijgen we als we de totale oppervlakte van alle tuinen samen bekijken. Daar waar de respondenten met een tuin groter dan 3000m² , slechts 10% van het totaal aantal deelnemers betreft, zijn hun tuinen goed voor 62% van de totale oppervlakte aan tuinen in de bevraging. Nog meer opvallend hierbij is dat de gemiddelde oppervlakte van deze tuinen, zijnde 8.628 m² ver boven de grens van 3.000m² ligt. De grote tuinen in de bevraging zijn dus echt wel groot te noemen.

In totaal bestrijken de “bevraagde” tuinen een oppervlakte van meer dan 1km² hetgeen er nogmaals op wijst dat we hier over een niet te onderschatten stukje natuur spreken. Binnen deze totale oppervlakte zijn de Vlaamse tuinen goed voor 74% en de Nederlandse maken een 26% uit van het geheel. Dit terwijl de verdeling in aantal respondenten naar regio 60% (Vlaanderen) , 40% (Nederland) is.

Om een link te kunnen leggen naar voorgaande onderzoeken is het interessant te bekijken in hoeverre de steekproef van dit onderzoek samenvalt of afwijkt met onderzoek dat voorheen is gebeurd. Vergelijkingsbasissen zijn hierbij onderzoeken uitgevoerd in opdracht van OVAM in 2007 en 2012 (Preventie-evaluatieonderzoek voor GFT- en groenafval) en een onderzoek naar pesticide gebruik in de Vlaamse tuin uitgevoerd door de Vlaamse  Milieu Maatschappij (VMM) in 2017. In de tabel hieronder wordt de spreiding van de tuinen volgens oppervlakte vergeleken met voorgaande onderzoeken.

Zoals blijkt uit het aantal respondenten is dit bescheiden onderzoek het tweede grootste in zijn soort sinds 2007. En ondanks de kleine verschillen in oppervlaktespreiding is de mediaan van de tuinoppervlakte; 420m² voor dit onderzoek versus 400m² voor het OVAM onderzoek van 2012; vergelijkbaar over de onderzoeken heen. De gemiddelde tuinoppervlakte (1395m²) van dit onderzoek sluit ook zeer dicht aan bij de resultaten van VMM 2017 met 1218 als gemiddelde tuinoppervlakte.

Binnen de bevraagde populatie is een duidelijk verschil tussen Vlaamse en Nederlandse tuinen. Zo wordt uit Tabel 5 duidelijk dat de bemonsterde tuinen in Nederland over het algemeen kleiner zijn dan deze in België, hetgeen wijst op een meer gefragmenteerd “tuincomplex”.

Naast de oppervlakte kunnen de tuinen ook opgedeeld worden volgens type tuin naar een aantal vooraf gedefinieerde categorieën. Omdat de respondenten de mogelijkheid hadden zelf tuintypes toe te voegen en het hier vaak ging om kleine verduidelijkingen werden de  antwoorden opnieuw gecodeerd naar de oorspronkelijke klassen. Zo werd het type bostuin geherdefinieerd naar het type landelijke tuin.

Het is duidelijk dat kleine stadstuin, grote stadstuin en landelijke tuin de meest voorkomende types zijn, samen goed voor 85,8% van alle tuinen. Het betreft hier een geclaimd tuintype van de respondent zelf en alhoewel niet weergegeven in Tabel 6 is ook hier een beduidend verschil tussen België en Nederland. Van de bemonsterde tuinen zijn er 20% meer stadstuinen (groot en klein samen) in Nederland en 20% meer landelijke tuinen in België. Dit bevestigt de vaststellingen van een kleinere oppervlakte per tuin en een grotere fragmentatie voor de Nederlandse tuinen in vergelijking met deze in België. Alhoewel relatief klein in aantal komen ook de voortuintjes en volkstuintjes relatief gezien beduidend meer voor in Nederland.

Samenstelling van de tuinen

Algemeen

Figuur 3 geeft de procentuele aanwezigheid weer van diverse tuincomponenten in de bemonsterde tuinen. Het spreekt voor zich dat het type tuin en de oppervlakte mee bepalend is voor het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde componenten zoals bijvoorbeeld bomen, serres, vijvers en dergelijke.

Toch zijn er slechts 5 componenten die in minder dan 30% van de tuinen aanwezig zijn. Hierbij is de aan- of afwezigheid van “speeltuig kinderen (23%)” toch wel de meest opvallende, zeker gezien 45% van de respondenten een gezinssituatie met kinderen heeft (alleenstaand of samenwonend met kinderen).

Een meer gedetailleerde analyse van de tuincomponenten wordt behandeld in de volgende paragrafen.

Gazon en verharding

Verharding en gazon komen respectievelijk in 92% en 71% van alle bevraagde tuinen voor. Om de vragenlijst niet te lang te maken werd hierbij niet gevraagd naar het type verharding. Het kan dus gaan om zowel waterdoorlatende als een ondoordringbare verharding. Ook voor het element “oprit” is er geen specificering voorhanden. Deze kan dus onverhard of verhard zijn.   

In oppervlakte beslaat het gazon gemiddeld 23% van de totale tuinoppervlakte. In totaal spreken we over 275.000 vierkante meter grasveld voor de tuinen van de respondenten in deze bevraging. Dit komt overeen met 41 voetbalvelden gras. Best wel wat gras dus. Het aandeel gazon bij deze bevraging is eerder klein in vergelijking met de Ovam studies in 2006 en 2012. De resultaten van deze studies gaven aan dat de bevraagde tuinen gemiddeld uit 51% gazon bestonden. De oorzaak hiervan kan te vinden zijn in de mate waarbij de respondent begaan is met het tuinieren. Zoals reeds gesteld, blijkt dat er in huidige studie een bias kan zijn naar de meer betrokken, actieve en geïnformeerde tuinier, terwijl de Ovam studies een meer random staal van de tuiniers betreft. Dit blijkt ook uit het aandeel tuinen met gazon, dat voor de Ovam studies met 93% beduidend hoger ligt dan de 71% uit deze studie.

Het lijkt dus logisch dat naarmate we over een meer betrokken en actieve tuinier spreken, een deel van het gazon plaats maakt voor meer biodiversiteit door andere elementen zoals bloemperken, struikgewas, bomen, moestuin en dergelijke. Met enige marge en omzichtigheid zouden we, op basis van de vergelijking van de diverse studies, kunnen stellen dat het aandeel van gazon in de tuinoppervlakte voor Vlaanderen tussen de 25% en 50% ligt, met een daling van het cijfer naargelang de tuinier meer gepassioneerd en actief bezig is met tuinieren.

Om bovenstaande hypothese kracht bij te zetten is het interessant de gemiddelde oppervlakte aan gazon uit te zetten tegen mate waarin opleidingen / workshops / etc… over tuinieren gevolgd worden (Figuur 4). Daarin valt duidelijk af te leiden dat de frequentie van opleiding (cfr. betrokkenheid) omgekeerd evenredig is met het aandeel gazon in de tuin, hetgeen in lijn is met de geformuleerde hypothese.

Eénzelfde vaststelling en dus staving van deze hypothese  geldt als we kijken naar de relatie tussen het lidmaatschap op een tijdschrift over tuinieren en het aandeel gazon in de tuin. De respondenten die geabonneerd zijn op een tuintijdschrift hebben een gemiddeld aandeel gazon in de tuin van 20% versus 25% voor deze die geen lidmaatschap hebben op een tuintijdschrift.

Het zou te ver gaan om te spreken van een causaal verband, maar dat er een relatie is tussen betrokkenheid (via opleidingen / beurzen / tijdschriften) en een streven naar meer biodiversiteit, en dus minder gazon, lijkt toch wel duidelijk. Op zich is dit een opsteker voor organisaties die zich specifiek richten op educatie van de tuinier in zijn transitie naar meer diverse “tuininvullingen” met verhoogde biodiversiteitsgraad ter gedeeltelijke vervanging van het traditionele nette gazon.

Geëxtrapoleerd voor Vlaanderen met een totale tuinoppervlakte van 1.100 km² betekent dit het volgende :

  • Op basis van de Ovam studies zou de totale oppervlakte gazon in Vlaanderen 436 km² beslaan. Dit cijfer is bekomen door een extrapolatie van het % voorkomen van gazon en relatieve oppervlakte van het gazon bij de “gemiddelde” Vlaamse tuinier
  • Een extrapolatie op basis van deze tuinbevraging, die de meer ecologische, geïnformeerde en betrokken tuinier vertegenwoordigt, zou de oppervlakte gazon  in Vlaanderen 278 km² bedragen

Een combinatie van beide cijfers geeft een indicatie van het onderliggend resterende potentieel aan oppervlakte, zijnde 157 km²,  dat in onze Vlaamse privé tuinen kan ingevuld worden door elementen met een grotere biodiversiteit dan het standaard gazon.

Naast de “graad van betrokkenheid” speelt ook de aan- of afwezigheid van kinderen een belangrijke rol in het aandeel gazon in een tuin. Zo is het niet verwonderlijk dat bijvoorbeeld alleenstaanden zonder kinderen beduidend minder gazon (14%)  hebben dan alleenstaanden met kinderen waarbij het gazon 30% van de tuinoppervlakte uitmaakt. Nagenoeg dezelfde verhoudingen zijn terug te vinden bij samenwonenden zonder versus met kinderen. 

Verharding komt in 92%  van alle bevraagde tuinen voor. Om de vragenlijst niet te lang te maken werd hierbij niet gevraagd naar het type verharding. Het kan dus gaan om zowel waterdoorlatende als een ondoordringbare verharding. Ook voor het element “oprit” dat in 62% van de tuinen aanwezig is, is er geen specificering voorhanden. Deze kan dus onverhard of verhard zijn.   

Gemiddeld over alle tuintypes heen neemt verharding 20% van de tuinoppervlakte in. De oppervlakte in % is echter logischerwijs omgekeerd evenredig met de totale tuinoppervlakte.  Zo is deze voor balkontuinen 100% en voor landelijke tuinen 14%. In totaal bedraagt de oppervlakte verharding van de bemonsterde tuinen net geen 160.000 m² hetgeen het equivalent is van 17 volledige voetbalvelden.

Geëxtrapoleerd voor Vlaanderen betekent dit dat onze Vlaamse tuinen verantwoordelijk zijn voor een totale oppervlakte van 117 km² verharding. Binnen de diverse tuinelementen kan “verharding” beschouwd worden als het minst “transformeerbaar” met betrekking tot invullingstype. Dit wordt grotendeels bevestigd door de resultaten van deze tuinbevraging te vergelijken met voorgaande onderzoeken waarbij de verharding voor nagenoeg 85% van de tuinen een oppervlakte kleiner dan 25% van de totale tuinoppervlakte blijkt in te nemen. Het percentage verharding is aldus maar weinig onderhevig aan het type tuinier in functie van betrokkenheid, ecologisch bewustzijn en andere parameters.

Aanwezigheid van moestuin en/of moestuinbakken

70% van alle respondenten heeft in één of andere vorm een moestuin in zijn of haar tuin. In de bevraging werd niet gevraagd deze verder te specifiëren, dus het kan zowel gaan om een vierkante meter bak  als om een min of meer afgescheiden grote moestuin. In lijn met de verwachtingen komt een moestuin relatief gezien meer voor naargelang de oppervlakte van de tuin toeneemt. Anderzijds is het zo dat het aandeel respondenten dat nog actief is in een andere dan hun eigen tuin groter is bij de mensen zonder moestuin. Het gaat hier om 46% versus 33% die wel een moestuin heeft en ook nog actief is in andere tuinen. Indien gespecifieerd door de respondent valt op te maken dat het hier in vele gevallen gaat om een volkstuintje in een gedeeld moestuincomplex. Ook valt te noteren dat de aanwezigheid van een moestuin in de eigen tuin groter is bij Vlamingen (74%) dan in Nederland (62%). Dit is in lijn met de oppervlakte van de tuinen die in Vlaanderen relatief gezien groter en minder gefragmenteerd zijn dan in Nederland.

Het is toch wel belangrijk aan te halen dat wat betreft de aanwezigheid van een moestuin, de populatie van respondenten danig verschilt van deze uit vorige onderzoeken in Vlaanderen zoals blijkt uit Tabel 7.

Dit wijst erop dat de respondent van deze bevraging niet enkel de meer geïnformeerde, actieve en betrokken tuinier betreft, maar ook deze met een grotere affiniteit ten aanzien van het moestuinieren. Op zich bewijst dit nog maar eens de aanvullende en complementerende bijdrage die dit onderzoek kan leveren bovenop voorgaande onderzoeken. Dit stelt ons dus in staat een meer algemeen beeld te krijgen van de tuinen en de tuinders in Vlaanderen.


Alhoewel er in deze bevraging niet gevraagd werd naar de relatieve oppervlakte van de moestuin, is er op basis van voorgaande onderzoeken een extrapolatie mogelijk van de geschatte totale oppervlakte moestuin in Vlaanderen.

Het zit zo, al onze Vlaamse tuinen samen zijn goed voor 8,2% (of 1,100 km²) van de oppervlakte van Vlaanderen. Uit de bevraging bij 1,118 tuiniers (input output studie VMM 2008) blijkt dat 42% een moestuin heeft en 56% fruitbomen of bessenstruiken bezit. Er werd in deze studie ook gevraagd naar de oppervlakte van de moestuin , gazon enz… Geëxtrapoleerd voor Vlaanderen beslaan alle privé groentetuinen (dus exclusief moestuincomplexen) een oppervlakte van 86 km²  Indien de extrapolatie zou berekend worden op basis van de moestuinen in deze bevraging zou deze veel groter zijn en aldus een goede indicatie geven van de bovengrens, zijnde de potentiële oppervlakte aan moestuinen in Vlaanderen.

In het algemeen kan gesteld worden dat er binnen de populatie van de respondenten van deze bevraging slechts weinig verschillen te noteren vallen betreffende de wijze van tuinieren tussen de mensen met een moestuin of zonder moestuin. Zo is er geen verschil in het gebruik van kunstmatige meststoffen, bestrijdingsmiddelen, de wijze waarop slakken en onkruid ervaren worden en dergelijke.

Daarentegen toont Tabel 8 wel  dat de respondenten met een eigen moestuin frequenter actief op zoek gaan naar informatie via opleidingen, tijdschriften, websites.


Het verwerken van de data vraagt tijd. Dit was het voor nu. Later meer resultaten op deze pagina.

6 Comments on “Resultaten tuinbevraging

  1. Goed onderzoek! Met de conclusies ben ik het over het algemeen ook eens. Slechts één puntje: een ‘balkontuin’ hoeft niet altijd 100% verharding te zijn, mijns inziens. Ik ken iemand die een plantenbak, met daarin zo’n 30 cm diep aarde, had die het halve balkon vulde. In zo’n geval zou ik op dat balkon slechts 50% verharding tellen.

    Like

    • Bedankt voor je reactie. De 100% verharding voor balkontuin is hetgeen uit de resultaten kwam en werd aangegeven door de respondenten. Misschien moet ik dit duidelijker aangeven dat het geen schatting is.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: